Optimaal gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
Met de (hopelijk snelle start) van de veldwerkzaamheden schiet ook het spuitseizoen helemaal uit de startblokken. Gewasbeschermingsmiddelen toepassen wordt tegenwoordig steeds complexer en daarom lichten we graag enkele aandachtspunten toe. Een optimaal gebruik en minimale impact op milieu en omgeving blijven hierbij de kernboodschap.
Weersomstandigheden in functie van type middel
Afhankelijk van het type gewasbeschermingsmiddel zijn weersomstandigheden zoals relatieve vochtigheid al dan niet belangrijk.
Bodemherbiciden
Deze middelen moeten in de bodem oplossen om zo een film over de bodem te leggen. De spuitomstandigheden zijn minder van toepassing, maar na het spuiten zou er idealiter minstens 10L regen moeten vallen opdat de middelen zich voldoende verdelen over de bodem om kiemende onkruiden te bestrijden. Voor bodemherbiciden mag je gerust een zeer grove druppel spuiten omdat die toch opnieuw in oplossing moet gaan.
Contactmiddelen
Deze middelen moeten het doelwit (blad, insect) raken en hierbij is luchtvochtigheid iets minder belangrijk. Probeer wel te spuiten als er geen of weinig wind is. Op die manier komen de middelen voldoende in het gewas en vermijd je drift. 's Morgens en 's avonds zijn dus ideale tijdstippen. Contactmiddelen prefereren een iets fijnere druppel om zoveel mogelijk kans te hebben om het doelwit te raken.
Systemische middelen
De toepassing van systemische middelen vraagt de meeste aandacht. Deze middelen moeten opgenomen worden in het blad en moeten dus heel wat barrières passeren. Hier is relatieve vochtigheid een belangrijk criterium.
- Bij een hoge luchtvochtigheid is de waslaag op het blad klein en staan de huidmondjes open. Het is dan makkelijker voor de middelen om in de plant in te dringen. Een luchtvochtigheid van meer dan 65-70% is ideaal. Dat heb je normaal 's morgens tot ongeveer 9h voor en 's avonds na 20h.
- Spuiten bij lagere luchtvochtigheid zorgt dat de waslaag dik is en de middelen minder vlot binnendringen en het resultaat van de bespuiting dus ook minder goed zal zijn.
In het voorjaar hebben we vaak een strakke en droge noordoostenwind. Die zorgt dat de relatieve vochtigheid overdag snel daalt en de ideale omstandigheden dus snel voorbij zijn. 's Avonds staan de planten vaak onder stress door zon en wind en is de opname ook iets minder goed.
Drift
Spuiten bij windstil weer lijkt logisch maar is niet altijd evident. Hoe meer wind, hoe meer kans op drift en schade aan buurgewassen en waterlopen. Spuit dus niet bij windsnelheden van meer dan 4 à 5 m/s om drift te vermijden.
Denk eraan dat er naast de zichtbare herbicideschade steeds meer schadegevallen zijn van niet-zichtbare driftschade. Lage dosissen herbicide, fungicide of insecticide komen daarbij op een buurteelt terecht waar dit niet erkend is. Als bij de oogst deze middelen nog aanwezig zijn wordt dat perceel of geoogst product geblokkeerd.
Bovendien is het noodzakelijk om aan de verplichte driftregelgeving te voldoen. In het kader van IPM is sinds dit jaar driftreductie van 75% verplicht. Dit kan door gebruik te maken van driftreducerende doppen of een driftreducerende techniek. Driftreductie is niet enkel noodzakelijk om driftschade te voorkomen maar het is ook een wettelijke verplichting om bepaalde fytomiddelen in de markt te houden.
Spuitvolume en spuitdruk
Uit eerdere onderzoeken blijkt dat het spuitvolume een grotere impact heeft op het spuitresultaat dan de keuze van de spuitdop. Bij zeer lage spuitvolumes wordt de impact van de andere spuitomstandigheden (vochtigheid, wind, druk, type middel, ...) nog veel belangrijker en is de kans op suboptimale toepassingen groter. Gebruik dus liefst minimaal 200-250L water om de foutenmarge klein te houden.
Om de juiste spuitdruk te bepalen kijk je best welke spuitdoppen je hebt. Elke spuitdop heeft een aanbevolen druk van de fabrikant. Die minimale aanbevolen druk is nodig zodat de spuitkegel goed gevormd wordt maar ook omdat de druppelverdeling dan zo gelijkmatig mogelijk is. Spuit je aan te lage druk volgens de dop dan krijg je proportioneel teveel extreem grove druppels en is de kans op fouten terug groter. Vuistregel is dat de 'lange venturidoppen' gespoten worden aan 3,5-5 bar en de 'korte venturidoppen' aan 2-5 bar. Belangrijk om mee te nemen als je nog nieuwe doppen moet kopen in kader van IPM regelgeving.
Bufferzones
Een bufferzone langs een waterloop wordt aangelegd om driftdruppels op te vangen maar ook het afspoelend water van het veld tegen te houden. De opgeloste gewasbeschermingsmiddelen in dat afspoelend water blijven zo achter in de bufferstrook en komen niet in de waterloop terecht.
Sinds dit jaar is de regelgeving rond de bufferzones strenger geworden en is er langs de blauwe waterlopen een spuitvrije zone van 3m ingesteld. Langs de paarse waterlopen blijft de minimale teeltvrije zone nog 1m.
Daarnaast is er ook nog de productspecifieke bufferzone die je op het etiket van het product vindt. Daar wordt een bufferzone opgelegd al dan niet in combinatie met een driftreducerende techniek. De bufferzone kan je eventueel nog verkleinen door met hoge driftreductie te werken.
We doen graag nog een warme oproep om zowel de teeltvrije zone, spuitvrije zone en productspecifieke bufferzone aan te houden. Het is een belangrijke manier om te voorkomen dat middelen in het oppervlaktewater terecht komen of schade aan de omgeving veroorzaken. Het naleven van deze maatregelen zal ervoor zorgen dat middelen langer in de markt kunnen blijven en niet aan een sneltempo verdwijnen.
Puntvervuiling
Tot slot willen we het belang aanhalen van correct vullen en spoelen van het spuittoestel. Het morsen, spoelen en reinigen van het spuittoestel op een verhard oppervlak met afstroom naar oppervlaktewater is nog altijd dé belangrijkste reden van verontreiniging van het water.
Spoel dus zoveel mogelijk het spuittoestel op het veld na de bespuiting. Je laat niet alleen de meeste spuitresten achter op het veld, het spuittoestel wordt ook meteen gereinigd waardoor resten geen kans hebben om aan te drogen. Als je toch wil spoelen op het erf, zorg dan dat je de resten kan opvangen en verwerken.