Fysische bodemkwaliteit: hou je bodemstructuur in vorm en voorkom verdichting
Een goede bodemstructuur geeft wortels ruimte, laat water en lucht door en helpt je gewas om droogte en hevige regen beter op te vangen. Verdichting kan die structuur verstoren en de groei en opbrengst drukken. Ontdek hoe je verdichting voorkomt en wanneer ingrijpen nodig is.
Hoe ontstaat een (goede) bodemstructuur?
De bodemtextuur is het bodemtype: zand, leem of klei. Die ligt vast en kun je niet zomaar veranderen.
De bodemstructuur kun je wél beïnvloeden. Het is de verhouding tussen lucht, water en bodemaggregaten en bepaalt hoeveel water voor plantenwortels beschikbaar is en hoe gemakkelijk wortels zich door de bodem ontwikkelen.
Een goede bodemstructuur ontstaat door:
- levende wortels en hun exudaten (uitgescheiden suikers)
- organische koolstof
- bodemleven
- zo weinig mogelijk verstoring
- een pH in de streefzone
→ Wortels en regenwormen maken gangen in de bodem, waardoor water en lucht makkelijker kunnen binnendringen. Levende wortels voeden het bodemleven met exudaten (suikers). Ook organische koolstof voedt het bodemleven en draagt bij aan een betere verkruimeling van de bodem. Zo kunnen wortels zich makkelijker door de bodem banen.
Eerste hulp bij bodemverdichting
-
Wat is verdichting?
Bij verdichting valt de volledige bodemstructuur in elkaar. De poriën worden dichtgedrukt, waardoor wortels, water en lucht moeilijker door de bodem kunnen bewegen.
Mogelijke gevolgen:
- oppervlakkige beworteling
- minder waterinfiltratie en meer plasvorming
- grotere droogtegevoeligheid
- lagere nutriëntenopname
- opbrengstverlies
Ook aan de oppervlakte kan verdichting optreden: verslemping. Dat gebeurt wanneer een te intensief bewerkte bodem een hevige regenvlaag krijgt. De toplaag slaat dicht, water kan moeilijk infiltreren, er ontstaat risico op korstvorming en de opkomst van het gewas wordt geremd.
Bij ernstige verdichting moet de bodem zijn structuur opnieuw opbouwen. Dat vraagt tijd. Machinaal kun je de bodem helpen, maar voorkomen blijft beter dan genezen.
-
Hoe voorkom je verdichting?
Een bodem bouwt zijn structuur zelf op. Dat lukt het best wanneer je de bodem zo weinig mogelijk verstoort.
Zo houd je je bodemstructuur sterk:
- Zaai groenbedekkers voor de aanbreng van organisch materiaal en wortelexudaten.
- Streef naar een goede pH en bekalk waar nodig.
- Verlaag de bandenspanning en beperk de aslast.
- Vermijd bewerkingen in natte omstandigheden.
→ Kijk met de spade of de bodem wel over de volledige bewerkingsdiepte voldoende droog is. - Vraag je bij elke bewerking af: kan het met minder?
→ Als je bodem in goede conditie is, heb je vaak minder intensieve bewerkingen nodig. Zo kun je een groenbedekker meestal vernietigen zonder frees of rotoreg.
Een bodem zonder verdichting kan steeds verder bouwen op zijn bestaande structuur. Zo verbeteren de draagkracht, waterdoorlaatbaarheid en weerbaarheid jaar na jaar en kan je perceel beter omgaan met extreme weersomstandigheden.
-
Wanneer heeft diepgronden zin?
De diepgronder is een hulpmiddel, geen standaardwerkmateriaal. Het helpt een verdichte laag open te breken, niet om de bodem 'open te trekken' wanneer de structuur al goed zit.
Gebruik een diepgronder dus alleen wanneer je effectief een verdichte laag vaststelt met een profielput of prikstok.

-
Hoe pak je verdichting aan?
Verdichting kan je aanpakken met:
- diepgronder
- erosieploeg
- voorzetwoeler
Deze diepe bewerkingsmachines zijn interessante werkmiddelen omdat ze de verdichte lagen oplichten, en tegelijkertijd de gelaagdheid (en dus opgebouwde structuur) van de bodem behouden.
-
Hoe gebruik je een diepe bewerkingsmachine correct?
Met deze tips kun je een diepgronder, erosieploeg en/of voorzetwoeler correct gebruiken.
- Werk op het juiste moment
- Werk enkel wanneer het volledige profiel voldoende droog is.
→ Kijk met de spade of de bodem wel over de volledige bewerkingsdiepte voldoende droog is.
- Best werk je in één werkgang, maximaal 1 keer per jaar.
- Diepgrond vlak vóór of tijdens de inzaai van een groenbedekker of volgteelt, als laatste werkgang.
- Laat de wortels de gevormde breukvlakken koloniseren.
- Rijd niet meer over de bodem om instorten van de breukvlakken te vermijden. - Werk niet dieper dan nodig
Diepgrond maximaal 2 à 3 cm onder de verdichte laag (of de ploegzool). Hoe dieper je de bodem losmaakt, hoe dieper hij terug verdicht. Probeer de bewerkingsdiepte af te bouwen jaar na jaar. - Werk niet te intensief
Een diepgronder is een herstelmaatregel, geen jaarlijkse standaardbewerking. Merk op: in zwaardere grond heb je minder tanden nodig.
- Werk op het juiste moment
Ga altijd even met de spade de bodem in. Die geeft je een sneller en eerlijker antwoord dan eender welke machine.
Zoe Borry - Adviseur bodem en bemesting
Denk kritisch na over elke bodembewerking
Vraag je bij elke bewerking af:
- Is deze bewerking echt nodig?
- Kan het minder diep of met minder werkgangen?
Heroverweeg ook je vaste combinatie van machines. Elk perceel en elk jaar is anders: bodemtextuur, koolstofgehalte, voor- en nateelt en de bodemconditie bepalen mee welke aanpak werkt.
Twijfel je of minder bewerken volstaat? Probeer het uit op een strook van je perceel.