Knolcyperus LA
Geïntegreerde aanpak van knolcyperus (Cyperus esculentus)
Project info
Project info
Project type
Startdatum
01/04/2021Einddatum
31/03/2025
Situering
Knolcyperus (Cyperus esculentus) is een erg competitief en reproductief (massale productie van langlevende stengelknolletjes), lastig te bestrijden invasief overblijvend onkruid. Sinds zijn accidentele introductie begin de negentien tachtiger jaren is het onkruid gestaag in opmars in Vlaanderen. Tot voor 2016 was knolcyperus een quarantaine onkruid met meldingsplicht ten aanzien van het FAVV. Sinds 2016 is er geen meldingsplicht meer, maar wel een verplichte bestrijding. Een aantal aspecten zijn opgenomen in de IPM-checklist met als voornaamste:
- de bestrijdingsplicht,
- een verbod op het telen van wortel-, knol- en bolgewassen
- en een melding van het probleemonkruid bij het ter beschikking stellen van het perceel voor seizoenspacht.
Er is de vaststelling dat het probleem meestal wordt verzwegen, omdat het net een hypotheek kan leggen op de mogelijk te telen gewassen en dit speelt ook mee bij de mogelijkheden tot seizoenspacht. Ondertussen neemt de verspreiding van het onkruid verder toe en is er nood aan effectieve bestrijdingsstrategieën en verspreiding-mitigerende maatregelen.
Onderzoeksvragen
Met betrekking tot knolcyperus bestaan er nog tal van vragen rond de vermeerdering, verspreiding en effectieve bestrijding van het onkruid.
- Gebeurt de voornaamste reproductie en verspreiding via knollen of spelen ook zaden een rol?
- Welke geïntegreerde beheersingssystemen laten toe om de knollenvoorraad in de bouwvoor snel te verlagen?
- In welke mate doden bladherbiciden moederknollen en reeds gevormde nieuwe knollen?
- Hoe kunnen we de werking en/of systemiciteit van bladherbiciden verbeteren via keuze van spuitvolume en behandelingstijdstip?
- Zijn alle klonen en zaailingen van knolcyperus even gevoelig voor bodem- en bladherbiciden?
- In welke mate spelen dieren of menselijke activiteiten een rol in de verspreiding?
- Zijn er ook effectieve innovatieve bestrijdingsmethoden?
Doelpubliek
Het project richt zich tot alle land- en tuinbouwers en afnemers en bij uitbreiding de ganse agroketen heeft hier baat bij, inbegrepen voorlichters, loonsproeiers, toeleveranciers, loonwerkers etc.. Immers, indien niet voorzichtig te werk wordt gegaan in de preventieve maatregelen kan in principe elk veld van om het even welke teler worden besmet. Ook afnemers kunnen worden geconfronteerd met dit onkruid, waarbij bepaalde velden niet meer kunnen worden geoogst. Zelfs niet land- en tuinbouwersectoren die in contact komen met knolcyperus (beheerders waterwegen, onverharde terreinen en wegen etc.) hebben baat bij dit project.
Algemeen doel
Het project rust op twee grote pijlers, enerzijds het beperken van verdere verspreiding van knolcyperus naar op vandaag niet besmette percelen en anderzijds de remediëring van haarden in percelen via depletie van de voorraad aan levende knollen in de bouwvoor. Om deze doelstellingen te bereiken zal op cruciale onderzoeksvragen rond knolcyperus een antwoord worden gezocht.
Concrete doelen
Met betrekking tot knolcyperus bestaan nog tal van onderzoeksvragen waarop dit project een antwoord zal bieden.
- Verspreidt knolcyperus zich voornamelijk via knollen of spelen ook zaden een rol?
- Welke geïntegreerde beheersingssystemen (oordeelkundige combinaties van cultuurtechnische maatregelen, mechanische, fysische, biologische en chemische methoden) laten snelle depletie van de knollenvoorraad in de bouwvoor toe?
- In welke mate doden systemische bladherbiciden moederknollen en nieuw gevormde knollen?
- Wat is de invloed van spuitvolume en groeistadium op herbicidenwerking?
- Is de respons ten aanzien van beheerssystemen of individuele methoden kloon-afhankelijk?
- Welke factoren zijn relevant voor de verspreiding?
- Wat is de bijdrage van dier of mens hierin?
- Welke innovatieve curatieve bestrijdingsmethoden zijn effectief?
- Waar kan informatie rond dit onkruid worden teruggevonden?
KPI’s
Deze doelstellingen worden vertaald in volgende kritieke prestatie-indicatoren (KPI’s):
- KPI 1: het aantal unieke bedrijven waar een innovatie of verandering in bestrijdingsstrategie wordt opgestart binnen de projectduur. Dit wordt geschat op 60 en 300 na respectievelijk 2 jaar en bij afloop van het project.
- KPI 2: het aantal implementaties, lanceringen en/of gebruik van (ver)nieuw(d)e producten/processen/diensten door de doelgroepbedrijven; dit wordt geschat op 50 en 150 na respectievelijk 2 jaar en bij afloop van het project en tenslotte;
- KPI 3: het aantal bedrijfsspecifieke vervolgtrajecten; opvolging/implementatie van de innovatieve bestrijdingstechnieken door niet-doelgroepbedrijven. Dit wordt geschat op 10 en 25 na respectievelijk 2 jaar en bij afloop van het project.
Verwachte resultaten en impact
Valorisatie strategie tot minstens 2 jaar na het project
De verworven innovatieve kennis opgedaan tijdens dit project zal behapbaar en klaar voor gebruik worden vastgelegd. Zowel de brochure als de infomomenten die doorheen het project maar ook erna zullen worden georganiseerd, zullen toegankelijk zijn voor alle onafhankelijke alsook private voorlichters. Door het nauw betrekken van de landbouwers in dit project, zullen er in feite ook diverse landbouwer-experten opstaan waardoor de kennis ook gewoon vanuit een lokale landbouwer op kleine schaal kan overgebracht worden op andere landbouwers in de regio. Verder zal de kennis uit de brochure door iedereen aangewend kunnen worden in cursussen, opleidingen etc.
Verwachte economische impact
Er kan gesteld worden dat elk veld potentieel kan geïnfecteerd worden door knolcyperus, waardoor een verbod op het telen van wortel-, bol- en knolgewassen in voege treedt. In totaliteit kunnen dus 600.000 ha en 20.000 telers worden getroffen in Vlaanderen. De economische schade die hiermee gepaard gaat is zeer moeilijk in te schatten. In de regio Kempen-Maasland bijvoorbeeld is momenteel minimaal 1300 ha ongeschikt voor de teelt van diverse industriegewassen. De problematiek kan zich uiteraard voordoen in gans Vlaanderen.
Korte weergave van de bekomen resulaten
De hoofddoelstelling van het project werd gerealiseerd door middel van de uitwerking van 8 deeldoelstellingen, vertaald naar concrete onderzoeksvragen.
Gebeurt de voornaamste verspreiding ervan via knollen of spelen ook zaden ervan een rol?
In het project kwam duidelijk naar voor dat knolcyperus wel degelijk bloeiwijzen met kiemkrachtig zaad kan vormen. Alle 55 percelen (uit WP3) werden gecontroleerd op de aanwezigheid van bloeiwijzen en dit gedurende 3 opeenvolgende jaren. Indien mogelijk, werden op ieder perceel 40 bloeiwijzen verzameld. Dit gebeurde door 10 bloeiwijzen In meerdere zones (berm en 1, 5, en 15 m diep in het perceel) te verzamelen. Nadien werden deze gedroogd en handmatig gedorst. De geoogste zaden ondergingen een kiemtest. Op een behoorlijk aantal percelen werden kiemkrachtige zaden aangetroffen. Hoe dichter bij de berm, hoe groter de kans dat een plant kiemkrachtige zaden kan produceren. In de berm is immers voldoende lichtinval is. Dieper in het veld neemt het aantal kiemkrachtige zaden af, maar ze waren niet helemaal afwezig. In het slechtste geval kan een plant tot 35 kiemkrachtige zaden per bloeiwijze produceren.
Welke geïntegreerde beheersingssystemen (oordeelkundige combinaties van cultuurtechnische maatregelen, mechanische, fysische, biologische en chemische methoden) laten snelle depletie van de knollenvoorraad in de bouwvoor toe?
- De installatie van een vulkrachtig(e) gewas(sekwentie) is een belangrijke primaire stap in de bestrijding van knolcyperus. Principe berust op het feit dat groei en knolvorming van knolcyperus (C4-plant) afneemt onder schaduwrijke omstandigheden. Belangrijk hierbij is de gewas-/cv-keuze met sterke en uniforme vulkracht in tijd en ruimte in de periode mei-september. Vooral gezonde, vulkrachtige en hooguitgroeiende gewassen zijn beloftevol. Hierbij hebben we het over maïs (indien goede jeugdgroei en stay-green), winter/zomergranen (indien gezond, legervast en geen uitgestelde oogst), spruitkool, vezelhennep, …
- Zwarte braak is de meest effectieve en robuuste niet-chemische beheerstrategie. Bij correct uitgevoerde zwarte braak kunnen grote reducties (mediaanwaarde 70%) in knollenvoorraad verwacht worden. Correct betekent behandelingen (chemisch/thermisch/mechanisch) op tijd (mei) starten en gepast herhalen, zo niet is toename in knollenvoorraad mogelijk (waarnemingen in 2023). Met zwarte braak heeft men een jaarlijkse bestrijding tussen 66 en 80%. Na 3 jaar braak bekomt men tot 98% reductie in de knollenvoorrad. Elektrocutie heeft wel geen systemische werking op moederknol. Mechanische korte braak is niet raadzaam op kleine afgelijnde besmettingen wegens verslepingsgevaar!
- Intensieve begrazing door grazers die de vegetatie kort afbijten reduceert knolcyperus sterk. Dit is een uitputtingsstrategie: intensief begrazen in de periode mei-september, door kort "afbijten" (paarden, schapen, kippen) al dan niet in combinatie met maaien. Dit kan een reductie van de knollenvoorraad tot 88,0 %/jaar of in een 3-jarige strategie tot 91,6% reductie
- Intensief maaien op bemest grasland reduceert de knollenvoorraad. Intensief maaien (≥ 4 keer/jaar) doet de knollenvoorraad dalen, maar is geen garantie op een snelle afname (‘koelkast-situatie’). Extensief maaien daarentegen doet de knollenvoorraad sterk toe nemen. De effectiviteit stijgt door het maai interval te verkorten en de maaihoogte te beperken. Ook is de competitie door het gewas zeer belangrijk.
- Mais laat de meest robuuste en effectieve chemische bestrijding toe. Er zijn wel verschillen in gevoeligheid tussen klonen, het moet gebeuren op een jong stadium van knolcyperus (3-4 blad) en onder groeizame omstandigheden. Het is belangrijk om steeds een dubbele na-opkomst in sequentie toe te passen, met voldoende bestrijdingsinterval, bij voorkeur gecombineerd met een toepassing kort na zaaien:
- Vooropkomst met dimethenamide-P: biedt meerwaarde in nat voorjaar
- 3-4 blad maïs: 50 g mesotrion + 500 g pyridaat integreren in spuitschema, beperkte meerwaarde pethoxamide
- 8-10 blad maïs: 50 g mesotrion + 500 g pyridaat, onderbladbespuiting, evt. toevoeging olie
- Glyfosaat biedt aan de huidige erkende dosering geen soelaas: bepaalde klonen zijn onvoldoende gevoelig aan 1440 gram glyfosaat/ha. Gemiddeld zijn slechts 40% van de klonen gevoelig aan deze dosis. De andere klonen vertonen een hormesis effect, dit betekent dat ze juist extra knolletjes gaan vormen na toepassing.
- Stationair stomen reduceert de knollenvoorraad snel en effectief en is een opportuniteit voor kleine haarden. Bij kapstomen is de benodigde stoomduur voor 100% bestrijding afhankelijk van begraafdiepte knollen (25 cm diepte vereist 32 minuten stomen). Kleinknollige klonen zijn gevoelig dan grootknollige en de lethale blootstelling is minstens 42 min bij T > 50°C. Bij stoominjectie heeft men 100% reductie van de knollenvoorraad in de laag 0-30 cm na 25 min. stomen.
- Bodemontsmetting reduceert de knollenvoorraad snel en krachtig mits juist toegepast. Chemische bodemontsmetting met metam-natrium (153 kg a.s./ha), anaerobe bodemontsmetting met vers gras (80 ton/ha), Herbie®(25 ton/ha), eendenkroos behoren tot de mogelijkheden. Het organische materiaal moet worden ingespit in bodem, afgedekt met een TIF-folie, zodat zich fytotoxische verbindingen door anaerobie kunnen ontwikkelen. Een reductie tot 94% van de knollenvoorraad in de laag 0-30 cm werd bekomen. Echter komen deze technieken in aanvaring met de wetgeving beschreven in MAP 7 en het GLB
In welke mate doden systemische bladherbiciden moederknollen en nieuwgevormde knollen en hoe kunnen we dit bevorderen via keuze van spuitvolume en groeistadium op moment van behandelen bewerkstelligen?
Spuitvolume en dopkeuze beïnvloeden wel degelijk de effectiviteit van bladherbicide-toepassingen:
- Glyfosaat heeft de beste bestrijding bij laag spuitvolume (250 l/ha). 90% driftreducerende doppen scoren niet slechter dan standaard spleetdop. Een tweewaaier luchtmengdop presteert consistenter
- Mesotrion + pyridaat: bij voorkeur wordt ook voor een lager spuitvolume gekozen. De respons van de moederknol is beter bij een lager spuitvolume indien vroege behandeling (3-4 blad). Er was geen effect van spuitdop/drifreductieklasse.
Verschilt de respons ten aanzien van beheerssystemen of individuele methoden van klonale populatie tot klonale populatie?
Er werden duidelijke verschillen vastgesteld tussen klonale populaties voor bepaalde toegepaste technieken:
- Thermische technieken: grootknollige klonen zijn minder gevoelig
- Chemische herbiciden: er zijn verschillen in gevoeligheid tussen klonen, voor mesotrion en pyridaat maar ook voor glyfosaat
Welke factoren hebben een grote impact op de verspreiding van het onkruid?
Vooral grondverzet in al zijn aspecten is een belangrijke oorzaak van verspreiding van knolletjes en ook zaden (machines, gewasoogst met aanklevende grond, restaarde, …)
Spelen dieren of de mens een rol in verdere verspreiding?
- Zaden kunnen verspreid worden door dieren; de zaden en knolletjes worden niet aangetast in het spijsverteringsstelsel dus directe uitscheiding kan zorgen voor verspreiding. Wanneer zaden en knollen terechtkomen in de mengmestkelder, zullen ze afsterven als ze er voldoende lang (3 tot 4 maanden) verblijven. In een stalmesthoop werd slechts een beperkte afsterving vastgesteld.
- Het spreekt voor zich dat alle activiteit die verband houdt met grondverzet, verspreiding kan geven door de mens
Zijn er naast chemische onkruidbestrijdingsmiddelen ook alternatieve innovatieve curatieve bestrijdingsmethoden?
- Deze zijn al aan bod gekomen in een vorige vraag
Waar kan alle informatie rond dit onkruid worden teruggevonden?
-
Alle info zal te vinden zijn op de websites van de partners, en in publicaties. De info staat nu al deels op de website en is vrij toegankelijk. Daarnaast zijn er vier vrij toegankelijke peer-reviewed wetenschappelijke publicaties te raadplegen via het internet:
1) Feys, Jeroen, et al. “Effect of Anaerobic Soil Disinfestation on Tuber Vitality of Yellow Nutsedge (Cyperus esculentus).” AGRICULTURE-BASEL, vol. 13, no. 8, 2023, https://doi.org/10.3390/agriculture13081547.
2) Feys, Jeroen, et al. “Impact of Electrocution on Shoot and Tuber Vitality of Yellow Nutsedge (Cyperus esculentus).” AGRICULTURE-BASEL, vol. 13, no. 3, 2023, https://doi.org/10.3390/agriculture13030696.
3) Feys J, Welvaert E, De Meester M, Latré J, Wambacq E, Callens D, Clercx S, Van de Ven G, Reheul D, De Cauwer B. Viability of Cyperus esculentus Seeds and Tubers After Ensiling, Digestion by Cattle, and Manure Storage. Agronomy. 2025; 15(4):844. https://doi.org/10.3390/agronomy15040844.
4) Feys J, De Ryck S, Sciffer C, Reheul D, Latré J, Callens D, De Cauwer B. Impact of Hood Steaming on Tuber Vitality of Yellow Nutsedge (Cyperus esculentus). Agronomy. 2024; 14(5):918. https://doi.org/10.3390/agronomy14050918
Daarnaast werd ook een praktijkbrochure met de meest relevante gegevens voor de praktijk opgemaakt.
Projectpartners
Inagro vzw (hoofdaanvrager): Danny Callens – Ellen Pauwelyn
Universiteit Gent: Benny De Cauwer – Jeroen Feys
Hogeschool Gent: Joos Latré - Jasper Gosseye - Elias van de Vijver
Proef- en Vormingscentrum voor de Landbouw vzw (PVL): Shana Clercx en Sander Palmans
Hooibeekhoeve: Gert Van de Ven
Partners
Financiers
VLAIO