Densiteitsboormetingen als mogelijkheid voor dichtheidsbepaling en voorraadinschatting van gras- en maiskuilen
Gras- en maiskuilen zijn de belangrijkste ruwvoeders op een rundveebedrijf. Een goede inschatting van de kuildensiteit is belangrijk om zowel de broeigevoeligheid, als de ruwvoedervoorraden correct in te schatten. De densiteit van kuilen wordt nu vaak via tabellen ingeschat, maar deze zijn niet altijd accuraat. Daarom is onderzocht of een densiteitsboor een betrouwbaar alternatief is om de kuildensiteit in te schatten.
Bepaling kuildichtheid
Het optimaal inzetten van eigen ruwvoeders is belangrijk om de ruwvoedermelkproductie te verhogen. Dit kengetal geeft aan hoeveel melk geproduceerd kan worden uit het ruwvoeder. Hoe hoger de ruwvoedermelkproductie, hoe lager de behoefte aan duur en ecologisch minder interessant krachtvoeder.
De kuildichtheid bevat belangrijke informatie voor de veehouder. In de eerste plaats is dit een belangrijke factor in de bepaling van de broeigevoeligheid. Naarmate de kuil beter verdicht is, kan lucht minder ver in de kuil binnendringen en is de kuil minder snel vatbaar voor broei. Ten tweede kan je met de kuildichtheid de ruwvoedervoorraad beter inschatten en zo eventuele tekorten of overschotten op het bedrijf vroeger detecteren.
Via tabellen kan je de kuildichtheid inschatten, op basis van het producttype (gras of mais), het kuiltype (rijkuil of sleufsilo), het droge stofgehalte, de kuilhoogte en de afdekmethode (met of zonder gronddek) (zie Tabel 1). Deze tabellen blijken echter niet zo accuraat te zijn aangezien de densiteit van kuilen van nog veel andere factoren afhankelijks is. Een alternatieve methode, die reeds in de Verenigde Staten en in Frankrijk gebruikt wordt, is de densiteitsboor.
Dit artikel beschrijft een onderzoek waarin een vergelijking gemaakt wordt tussen de densiteit bepaald door Tabel 1 (oude methode) of een densiteitsboor (nieuwe methode) enerzijds, en via de vervoederde hoeveelheid in gewicht en volume (controle) anderzijds om na te gaan of de densiteitsboor een goed alternatief vormt voor de tabel. Naast het aftoetsen van de betrouwbaarheid van de resultaten van de densiteitsboor, werd ook het minimum aantal boringen bepaald om de densiteit van kuilen goed in te schatten. Dit onderzoek werd uitgevoerd binnen het project EKOPTI, waarin Inagro en ILVO op zoek gaan naar een efficiëntere benutting van eiwit in de melkveehouderij om tot betere ecologische en economische resultaten te komen.
Algemene proefopzet
Bij 16 verschillende melkveehouders (elk met hun eigen kuilmanagement) werden in totaal 18 graskuilen en 20 maiskuilen bemonsterd met een densiteitsboor (foto 1). Bij vier graskuilen en zes maiskuilen werden twee of drie bemonsteringsmomenten uitgevoerd om verschillende metingen in de tijd te hebben van dezelfde kuil.
Bij elke staalname werd de kuil ter hoogte van het snijvlak tienmaal bemonsterd volgens een vast patroon: zowel aan de linker- als rechterkant namen we drie stalen en in het midden namen we vier stalen (foto 2). Vervolgens werd de dichtheid van alle boorstalen op zowel verse als droge stof basis berekend.
Foto 2: patroon van staalname: bij elke kuil werden 10 bemonsteringen genomen ter hoogte van het snijvlak.
Kuildichtheid vergelijken
De dichtheid bepaald via de densiteitsboor vergeleken we met de dichtheid berekend via de vervoederde hoeveelheid uitgedrukt in gewicht en volume (controle). Aan de deelnemende bedrijven werd bijkomend gevraagd om bij vervoederen gedurende 14 dagen het gewicht vers uitgekuild product te noteren, samen met de lengte waarmee werd opgeschoven in de kuil gedurende die periode. De oppervlakte van het snijvlak werd ingeschat om finaal het gevoederde volume te bepalen. Daarnaast werd ook een vergelijking gemaakt tussen de densiteit bepaald via de vervoederde hoeveelheid en de densiteit bepaald op basis van Tabel 1 om na te gaan of de densiteitsboor een vergelijkbare inschatting kan maken met deze uit de tabel. Naast de performantie van de boor, werd ook nagegaan of één bemonsteringsmoment voldoende is en/of het aantal staalnames ter hoogte van het snijvlak gereduceerd kan worden.
Performantie van de boor
Op verse stof basis kon er geen significant verschil aangetoond worden tussen de kuildichtheid gemeten met de boor of de tabel ten opzichte van de controle. Boormetingen van maiskuil en inschattingen van graskuilen o.b.v. de tabel blijken evenwel de gemiddelde kuildichtheid iets te onderschatten, zij het niet significant.
Aangezien rantsoenen berekend worden op droge stof basis, is het interessanter om na te gaan hoe goed de boor de densiteit op droge stof basis kan inschatten. Bij graskuilen wordt de densiteit o.b.v. de tabel significant lager ingeschat dan de controle, terwijl dit slechts een trend is als boorstalen genomen worden. Over het algemeen is er een lichte onderschatting van de kuildichtheid bepaald met de densiteitsboor t.o.v. deze bepaald via het vervoederen.
Vervolgens werd nagegaan welke factoren bijdragen in het verschil tussen de inschatting o.b.v. de densiteitsboor en de controle. Hieruit komt naar voor dat hogere en bredere kuilen zorgen voor een minder groot verschil tussen de schattingsmethoden, m.a.w. bij grotere kuilen kan de kuildichtheid nauwkeuriger bepaald worden met de densiteitsboor. Bij graskuilen geeft een hoger droge stofgehalte van de kuil een minder nauwkeurige inschatting van de densiteit als de densiteitsboor gebruikt wordt. Het aantal snedes en de hoogte-breedte verhouding hadden geen invloed op het verschil tussen beide methoden.
Optimalisatie van het aantal staalnames
Bij tien kuilen werden herhaalde metingen uitgevoerd om mogelijke verschillen doorheen de tijd te capteren. Zowel bij gras- als bij maïskuilen bleek er geen significant verschil te zijn en volstaat het dus om de kuil slechts éénmaal te bemonsteren.
Daarnaast werd nagegaan of tien staalnames konden gereduceerd worden tot een lager aantal om de werklast te beperken. Hieruit kwam naar voor dat het volstaat om slechts zes stalen te nemen in plaats van tien. De stalen met nummer 1, 2, 3 en 5 waren qua densiteit namelijk niet significant verschillend van de stalen met, respectievelijk, nummer 8, 9, 10 en 7 (Figuur 2). De densiteitsgegevens van de stalen aan de ene kant van de kuil kunnen bijgevolg ook gebruikt worden voor de andere kant van de kuil om de densiteit van de ganse kuil te bepalen.
Besluit
De densiteit van zowel gras- als maïskuilen kan bepaald worden aan de hand van densiteitsboormetingen. Dit vormt een goed alternatief t.o.v. het gebruik van tabellen. Hierbij volstaat één staalname met zes bemonsteringen op het snijvlak. Enige voorzichtigheid is wel geboden bij kleinere kuilen en kuilen met een hoog droge stof percentage omdat er een lichte onderschatting van de densiteit kan optreden.
Deze proef kwam tot stand dankzij de financiële steun van de Vlaamse overheid in het VLAIO-LA traject EKOPTI (Eiwit in de koe optimaliseren), uitgevoerd door Inagro en ILVO. Lore Delputte voerde deze studie ook uit in het kader van haar masterthesis.