Slimme sensoren volgen bestuivers in kikkererwten: wat leert de praktijk?
Bijen en hommels zijn belangrijk, daar is iedereen het over eens. Maar hoe actief zijn ze nu écht in onze teelten? En kan technologie ons daarbij helpen? Inagro testte in kikkererwten twee types sensoren die bestuiveractiviteit automatisch meten. De resultaten zijn leerrijk en soms verrassend.
Autonome sensoren in het veld: waarom deze test?
Bestuivers zoals hommels en honingbijen zijn cruciaal voor landbouw en biodiversiteit. Toch is hun activiteit in teelten moeilijk op te volgen met klassieke veldwaarnemingen. Je moet er zijn op het juiste moment, bij het juiste weer, en liefst voldoende keren per seizoen. In de praktijk lukt dit vaak niet.
Daarom onderzocht Inagro, in het kader van het VLAIO-LA project KickChick, of commercieel beschikbare autonome sensoren, die dag en nacht meten, een bruikbare aanvulling kunnen zijn.
Twee percelen kikkererwten – één in Alveringem en één in Zwalm – kregen afgelopen zomer sensoren aan de rand van het veld en meer naar het midden. Niet grootschalig, wel een test om de toestellen te leren kennen.
Twee sensoren getest
1. Polly-sensoren: gericht en gedetailleerd
De Polly-sensoren registreren bestuivers op basis van geluid, met aparte modellen voor honingbijen en (aard)hommels. Ze meten hoeveel tijd per uur er activiteit wordt waargenomen en tonen die data overzichtelijk in een online en interactief dashboard.
Sterktes
- Soortspecifieke informatie (honingbij vs. hommel)
- Continue, autonome metingen
- Data interactief raadpleegbaar op verschillende schalen
- Resultaten goed interpreteerbaar voor landbouwers en adviseurs
Nadeel
Ze hebben een zeer kleine meetbereik: tot ongeveer 0,5 meter voor de microfoon. Dat maakt de meting heel lokaal. Eén sensor zegt dus weinig over een volledig perceel, en de leverancier raadt dan ook aan om minstens 3 toestellen te gebruiken per locatie wanneer je verschillende locaties wenst te vergelijken.
Wanneer interessant?
Wanneer binnen een perceel meerdere toestellen zijn geïnstalleerd, kan het systeem gebruikt worden om te controleren of de activiteit van bestuivers overal voldoende is. Als dat niet zo is, kan het de gebruiker ertoe aanzetten dat actie nodig is om de bestuiving lokaal te verbeteren.
De aanwezigheid van hommels kan ook gebruikt worden als biodiversiteitsindicator voor de kwaliteit van de locatie waar de sensor staat. De Polly-sensoren zijn dus ook bruikbaar in het kader van biodiversiteitsonderzoek.
2. Spectrum-sensoren: breder beeld maar abstract
De Spectrum-sensoren registreren ook op basis van geluid, maar pakken het anders aan. Ze registreren insectengeluiden die ze oppikken (insecten in de ordes vliegen, vliesvleugeligen, en kevers) en delen die op in groepen volgens de geluidsfrequenties. Zo ontstaat een algemeen beeld van vliegende insecten, maar zonder duidelijke link naar concrete soorten of soortengroepen.
Het resultaat is een rapport met:
- continue, autonome metingen;
- aantallen “buzzes per uur”;
- een verdeling over een aantal frequentieklassen, en een afbeelding van hoe een insect in elke verschillende klasse er uit "zou kunnen" zien;
- en een Shannon-diversiteitsindex (obv de verdeling over de frequentieklassen).
Nadeel
- Je krijgt enkel een algemeen beeld van de vliegende insecten, niet de concrete soort of soortengroep
- De data zijn niet interactief raadpleegbaar.
Wanneer interessant?
Spectrum lijkt dan ook bruikbaarder voor gevallen waar er bijvoorbeeld situaties voor en na een biodiversiteitbevorderende ingreep vergeleken moeten worden, of waar er trends gevolgd moeten worden op landschapsschaal.
De toestellen zijn bruikbaar als het puur over abstracte kwantificering van biodiversiteit gaat, maar de resultaten zijn verder zeer moeilijk om te interpreteren naar het veld.
Wat leerden we over bestuivers in kikkererwten?
1. omgeving is minstens zo belangrijk als de teelt
Het ene perceel had duidelijk meer bestuiveractiviteit dan het andere.
De verklaring ligt wellicht eerder in wat er in de directe nabijheid van het perceel aanwezig was (brede houtkant, wild begroeide gracht en bloemrijk grasland), wat de rol van kleine landschapselementen en kwalitatief permanent habitat bevestigd.
2. Kikkererwten zijn interessant voor bestuivers
Kikkererwten bloeien relatief laat in het seizoen, wanneer het algemene bloemaanbod in het landschap vaak afneemt. Dat maakt de teelt interessant als aanvullende voedselbron voor bestuivers, op voorwaarde dat er ook voldoende kwalitatief permanent habitat aanwezig is op niet al te grote afstand.
Waarom sensoren een meerwaarde zijn
Sensoren tonen net hun sterkte door continu en objectief te meten, Dat is een belangrijk voordeel tegenover klassieke veldtellingen, die vaak slechts een korte momentopname zijn.
Visuele waarnemingen verschillen bovendien van persoon tot persoon en gebeuren meestal onder tijdsdruk. Het tijdstip van het bezoek (ochtend of namiddag), temperatuur en weersomstandigheden beïnvloeden sterk hoeveel bijen en hommels zichtbaar zijn in het gewas.
Sensoren meten daarentegen dag en nacht, over meerdere weken, en brengen zo patronen in kaart die met losse veldbezoeken moeilijk zichtbaar worden. Ze vervangen visuele waarnemingen niet, maar vullen ze aan: veldbezoeken blijven nodig om soorten te herkennen en omgevingsfactoren en andere parameters zoals bloemdichtheid in kaart te brengen.
Het gebruik van sensoren opent dus perspectieven voor gerichte opvolging van bestuiving, biodiversiteitsmaatregelen en perceels- of gewasvergelijkingen.
Lees het volledige rapport