5% tussentijdse reductiedoelstelling rundveehouderij - deadline melding eind 2025
In het kader van het stikstofdecreet moet elke rundveehouder uiterlijk 31 december 2025 een tussentijdse reductie van minimum 5% realiseren. Deze reductie kan via een melding in het Omgevingsloket worden doorgegeven.
- Er moet minimum 5% stikstofreductie ten opzichte van de vergunde situatie gerealiseerd worden, ook bij rundveehouders met een impactscore <= 0.025%!
- Bedrijven die een vrijstelling hebben aangegeven én verkregen moeten niet voldoen aan deze tussentijdse reductie (biologische bedrijven met een impactscore ≤1%; kleine bedrijven met impactscore ≤0.025% én < 500 kg NH3/jaar uitstoot komen hiervoor in aanmerking).
Hoe kan je de 5% reductie behalen?
Je kan kiezen uit drie opties:
- Toepassen van een ammoniakemissie reducerende maatregel (AERM)
- Verminderen van het aantal dierplaatsen
- Een combinatie van bovenstaande
De gekozen maatregel moet gemeld of aangevraagd worden via het Omgevingsloket. In sommige gevallen is een hernieuwing of aanpassing van de vergunning nodig. Dan kan je de reductie meteen meenemen in je aanvraag.
Welke ammoniakemissiereducerende maatregelen (AERM) zijn erkend?
Alle erkende maatregelen staan in het decreet ammoniakemissiereducerende maatregelen (AERM). Deze lijst bevat maatregelen per diercategorie en is beschikbaar op de website van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM)
Aan de hand van de vergunde dieraantallen, de emissiefactoren en de gekozen maatregel kan berekend worden hoe je op uw bedrijf de 5% NH3 reductie ten opzichte van de vergunde situatie kan realiseren.
Heb je de reductie al gerealiseerd?
Ook rundveehouders die geacht worden te hebben voldaan aan de verplichting tot een tussentijdse reductie moeten geen melding doen. Dit is het geval als sinds 1 januari 2015 al ammoniak-emissiereducerende maatregelen in de vergunning werden opgenomen of het aantal dierplaatsen al werd verminderd. Deze ingrepen in het verleden moeten wel ervoor gezorgd hebben dat de vergunde ammoniakemissie met 5% werd gereduceerd.
Wat moet je nu doen?
- Controleer je huidige vergunningstoestand.
- Ga na of je al aan de 5% NH3-reductie voldoet.
- Kies een passende maatregel (AERM, minder dieren of combinatie).
- Dien een melding of aanvraag in via het omgevingsloket (eventueel in overleg met adviesbureau), zie meer uitleg hieronder.
Vereenvoudigd meldingsformulier vanaf 18 november
De ingreep moet ten laatste op 31/12/2025 toegepast worden op het bedrijf, maar kan nog geregulariseerd worden tot het moment van de uiterste indiendatum van de mestbankaangifte.
Opgelet! Controleer je verzamelaangifte voor eind 2025 zodat alle stallen correct aangeduid staan met 'code 11' en duidelijke stalnaam. Zo zijn deze gemakkelijk terug te vinden bij de mestbankaangifte.
Om de administratieve last voor de landbouwer zoveel mogelijk te beperken, zal vanaf 18 november 2025 een aangepaste, vereenvoudigde versie van het meldingsformulier beschikbaar zijn. Die versie kan vanaf 1 december 2025 worden ingediend via het Omgevingsloket.
In het meldingsformulier moet de landbouwer aangeven welke ingreep toegepast wordt:
- één of meerdere ammoniak-emissiereducerende maatregel(en): de code van de maatregel, op hoeveel dierplaatsen de maatregel van toepassing is, een omschrijving van de maatregel en het reductiepercentage van deze maatregel.
- een vermindering (ten opzichte van de actueel vergunde situatie) van het aantal dierplaatsen, al dan niet door een tijdelijke buitengebruikstelling.
- een combinatie van beide.
Ook bij tijdelijke vergunning tot 2030
De tussentijdse reductie wordt beschouwd als een voorwaarde binnen de bestaande vergunning. Doorheen de exploitatie kan de naleving van deze voorwaarde gecontroleerd worden. Op het moment van een aanvraag voor een tijdelijke vergunning tot 2030 zal bovendien de tussentijdse reductie op het moment van de vergunningsaanvraag eveneens gecontroleerd worden.
Nieuwe of andere ingrepen na 31 december 2025
Wanneer een landbouwer na 31 december 2025 beslist om een nieuwe of een andere ingreep toe te passen met een rendement van minstens 5%, zal dat mogelijk zijn zolang de reductie van minimaal 5% gerealiseerd wordt.
Deze ingreep moet opgenomen worden in de vergunning:
- Bijstelling milieuvoorwaarden via de meldingsprocedure (artikel 9, §2, vijfde lid Stikstofdecreet): beweiden en de ammoniak-emissiereducerende maatregelen uit het Besluit Vlaamse Regering van 20 november 2024, mits geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of verandering van de IIOA vereist is.
- Melding gedeeltelijke of gehele stopzetting (artikel 9, §2, zesde lid Stikstofdecreet): een definitieve vermindering van het aantal vergunde dierplaatsen.
- Procedure bijstelling milieuvoorwaarden volgens artikel 82/1 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning: mits geen vergunningsplichtige verandering van de IIOA vereist is.
- Vergunningsaanvraag conform het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
Enkele aandachtspunten
- Het niet tijdig realiseren van de 5%-maatregel kan aanzienlijke gevolgen hebben, vooral voor bedrijven waarvan de vergunning binnen enkele jaren afloopt. Voor deze bedrijven kan het namelijk strategisch interessant zijn om na het aflopen van hun huidige vergunning eerst een tijdelijke vergunning aan te vragen tot eind 2030. Op die manier vermijden ze dat de PAS-referentie 2030 al vóór dat jaar moet worden gerealiseerd. Zo’n tijdelijke vergunning is echter enkel mogelijk indien de 5%-maatregel vóór eind 2025 effectief is uitgevoerd.
- Daarnaast kan het uitblijven van de 5%-maatregel aanleiding geven tot sancties bij een controle door de handhavingsdiensten.
- Bekijk zeker goed de voorwaarden van de gekozen maatregel zodat je kan controleren of je aan alle voorwaarden voldoet.