20 jaar proefbedrijf biologische landbouw: opgebouwde kennis en technische innovaties maken bio haalbare kaart
Het proefbedrijf biologische landbouw van Inagro vierde dit jaar uitgebreid zijn 20-jarig bestaan. De praktijkervaring uit het bedrijf en de opgebouwde kennis uit het onderzoek versterken elkaar en zorgen ervoor dat het proefbedrijf algemene erkenning geniet. De biologische boeren en sectororganisaties bepalen mee de koers. Als vanzelf komen we uit op een systeemgerichte aanpak. We kijken graag terug naar enkele belangrijke mijlpalen.
Biologisch praktijkbedrijf
De hoeve met een 10-tal ha grond werd in 2001 aangekocht door de provincie West-Vlaanderen en aan Inagro ter beschikking gesteld voor praktijkonderzoek in de biologische landbouw. De site die deel uitmaakt van de campus van Inagro wordt sinds die tijd als een biologisch praktijkbedrijf beheerd met een vaste zesjarige vruchtwisseling waarin groenten en rustgewassen elkaar afwisselen: graan, kolen, aardappelen, grasklaver, prei en knolselder of wortelen. Binnen deze omgeving wordt de proefveldwerking ingepast.
In samenwerking met bedrijven konden we ook nieuwe ontwikkelingen (machines, middelen, rassen,…) aftoetsen aan de praktijk. De praktijkervaring uit het bedrijf en de opgebouwde kennis uit het onderzoek versterken elkaar en zorgen ervoor dat het proefbedrijf ondertussen algemene erkenning geniet.
De biovelddagen in juni en oktober zijn uitgegroeid tot belangrijke ontmoetingsmomenten voor de brede biologische sector. Vanuit de klassieke insteken bemesting, rassenkeuze, gewasbescherming en onkruidbestrijding brengen we in dit artikel enkele belangrijke leerlessen in beeld.
Een goed bodemzorg geeft veel terug
Het belang van een goede bodem staat niet ter discussie. Toch gaat dit veel dieper dan vaak wordt aangenomen. We mochten meermaals ervaren dat kleine foutjes in bio meteen streng worden afgestraft. En toch is het eigenlijk simpel. Bodemprocessen in de grond hebben organisch materiaal en zuurstof nodig. Plantenwortels activeren de boel. Als deze voorwaarden zijn vervuld, gaat veel vanzelf.
Sinds 2001
Vanuit de goede en courante praktijk en de beschikbare machines, was ploegen evident bij de opstart van het proefbedrijf in 2001. Heel vaak ging dit goed. Soms ging dit ook fout. Vooral wanneer kort na planten een hevige regenbui kwam, bleek onze grond weinig weerbaar en erg slempgevoelig. In de wielsporen van de rotoreg zagen we, ondanks een lichte tractor en relatief brede banden op lage druk, toch bodemverdichting die aanleiding gaf tot inkuileffect van de ondergeploegde groenbemesters en stalmest. In 2010 waren we een pionier met RTK-GPS en konden we een eerste stap vooruit zetten. De tractor werd op smalle band gezet en na ploegen reden we meteen op een seizoensmatig vast rijpad en werd de bodemverdichting onder de plantrijen vermeden. Ondertussen hadden we in verschillende bemestingsproeven ook ervaren dat de stikstofvrijstelling uit vlinderbloemige groenbemesters vaak dominant was op de bemesting. Deze natuurlijke stikstoffabriekjes zijn een belangrijke pijler in ons bemestingsplan.
De grootste stap zetten we in 2016 met de omslag naar niet-kerende bodembewerking en vaste rijpaden op breed spoor. De nieuwe JD-tractor werd hiervoor meteen omgebouwd door de dealer. Een diepe grondbewerking blijft in ons teeltsysteem noodzakelijk. We kwamen er echter snel achter dat de aanpak van de voorbereidende werkzaamheden in het voorjaar nog meer van belang zijn. Met Treffler-TGA precisie-cultivator kunnen we groenbemesters en winteronkruiden ondiep afsnijden en houden we vocht in de grond. Waar mogelijk zaaien we steeds een mengsel van niet vlinderbloemige en vlinderbloemige groenbemesters. Verschillende biologische telers hebben ondertussen een eigen variant op deze aanpak ontwikkeld.
Alerte aanpak en precisie-wiedeg zijn bepalend voor geslaagde onkruidbestrijding
Een geslaagde onkruidbestrijding is naast een goede bodemzorg een tweede doorslaggevende factor voor een geslaagde biologische teelt. De klassieke wiedeg en de schoffelmachine zijn altijd al twee belangrijke basismachines geweest voor mechanische onkruidbestrijding. Bij de start van het biobedrijf in 2001 waren de vingerwieders een belangrijke innovatie voor onkruidbestrijding in de rij. Toch bleef het moeilijk om het onkruid in de rij voldoende te bestrijden. 50 tot 100 (en soms meer) uren wiedwerk per ha in prei en knolselder was toen normaal.
Met de wiedhark die Vanhoucke ontwikkelde konden we, eenmaal het gewas wat steviger stond, ook grotere onkruiden uit de rij poetsen, maar dat was letterlijk ‘de grove borstel’. Toch konden we het manueel wiedwerk hiermee terug brengen naar 30 à 50 uur per ha. Met RTK-GPS kwamen we tot rechte rijen en konden we de schoffelmessen net iets nauwkeuriger afstellen. De twee belangrijkste innovaties zijn de torsiewieders en de Trefflerwiedeg geweest. De torsiewieder omwille van de eenvoud. Vooral HAK wist een goed werkend model te ontwikkelen.
De Trefflerwiedeg is veelzijdig inzetbaar onovertroffen efficiënt op klein onkruid. Met deze eg konden we het manueel wiedwerk terugdringen tot 10 à 30 uur per ha, maar eggen we wel zo lang als mogelijk, nagenoeg wekelijks, door onze gewassen. De schoffelmachine komt nu veel minder uit de schuur en zien we eerder als ‘opkuis’ van het onkruid dat aan de wiedeg is ontsnapt. Een strakke arbeidsplanning en goede bedrijfsorganisatie is in deze doorslaggevend. Wiedeggen is altijd prioritair. De cameragestuurde schoffelmachine waarover we sinds twee jaar beschikken verandert deze strategie niet.
Voor fijne zaaiteelten blijft de onkruidbrander een belangrijk toestel. Net voor zaai en net voor opkomst worden de wortelruggen gebrand. De nieuwe Vanhoucke onkruidbrander is een krachtige machine die tegelijk zuinig is in gasverbruik. Toch blijft er op onze onkruidrijke grond nog grote orde 200 uur manueel wiedwerk per ha nodig. Knopkruid is een grote zorg. Grote excessen konden we de voorbije jaren niettemin vermijden. Het zon-aangedreven wiedbed van Andela uit Nederland draagt bij tot een grotere werkefficiëntie en een betere ergonomie.
Opstap naar biologische rassen
De rassenkeuze is in de voorbije periode uiteraard sterk geëvolueerd. In de biologische groententeelt worden nog vaak dezelfde rassen als in de gangbare teelt gebruikt. We hebben in prei nog net de omslag van zaadvaste rassen naar hybrides meegemaakt. Qua opbrengst en ziekteresistentie zijn hiermee grote stappen vooruit gezet. In prei zorgde de genetische progressie, samen met een verbeterde teelttechniek, voor een meeropbrengst van 5 à 10 ton per ha.
Keerzijde van deze ontwikkeling is dat er nauwelijks nog ingezet wordt op zaadvaste rassen, dat dit metier verloren gaat en dat we als biosector ook afhankelijk worden van een beperkt aantal mondiale rassen. Dit botst met de insteek voor meer biodiversiteit en zelfredzaamheid. Een belangrijke stap voor de komende jaren is de doorontwikkeling naar het gebruik van biologische zaden. Bejo en Vitalis (Enza) zijn hierin twee belangrijke voortrekkers.
Natuurlijke evenwicht heeft tijd en ruimte nodig
De beheersing van plagen blijft een delicate evenwichtsoefening. Uit de gangbare teelt nemen we graag de kennis van de betreffende plaaginsecten mee, maar de aanpak van deze insecten vergt uiteraard een andere aanpak. De resem van nieuwe biologische gewasbeschermingsmiddelen die in ontwikkeling is, biedt mogelijk wel kansen, maar als biosector zijn we hier liever niet afhankelijk van. De ervaring tot nog toe is overigens dat deze middelen in een schema zonder chemie, vaak onvoldoende resultaat opleveren. Spinosad is hierin, tot nader order, een uitzondering en kent, net als in de gangbare teelt, ook in de biologische teelt (te?) veel toepassingen.
Doorheen de jaren is een ruime ervaring opgebouwd met allerlei netten. In de koolteelt zijn het wildnet en het klimaatnet standaard om de koolvliegen, duiven en rupsen te weren. Helaas zijn deze netten weinig compatibel met mechanische onkruidbestrijding en is het leggen ervan arbeidsintensief. Ook de recyclage na gebruik is alsnog een uitdaging. Bij een beredeneerde inzet van netten en middelen op basis van bacillus thuringiënsis of spinosad, realiseren we ook in de biologische koolteelt een grote teeltzekerheid. Dit was 20 jaar terug anders.
Natuurlijke vijanden zijn en blijven tenslotte onze belangrijkste partners. Onder andere in de beheersing van bladluizen zijn lieveheersbeestjes, zweefvliegen en sluipwespen onmisbaar. Heel vaak lost een probleem zichzelf op. Hier is enig vertrouwen in de natuur nodig. In verschillende proeven wordt uitgezocht hoe we dit partnerschap met deze natuurlijke vijanden kunnen versterken.
Afzet conventionaliseert
De verkoop van de oogst op het proefbedrijf is geen doel, maar draagt wel bij tot een zekere financiële zelfredzaamheid en de noodzakelijke voldoening. Dit draagt ook bij aan voeling met de markt en de praktijk.
Een constante komt hier telkens terug: Bio vergt korte lijnen en een directe dialoog tussen boer en klant.
Het is een uitdaging om dit ook in een groeiende markt met meer en meer gangbare ketenpartijen vast te houden.