Welke soorten grondanalyses zijn er en welke moet ik verplicht nemen als landbouwer?

Grondstalen
Een eerste groot onderscheid dat we kunnen maken is de stalen in het kader van de randvoorwaarden (Departement landbouw en visserij) en de stalen in het kader van de mestwetgeving (VLM).
  • Stalen in het kader van de randvoorwaarden

    Deze stalen zijn verplicht in het kader van de randvoorwaarden en dienen om de bodemvruchtbaarheid van de percelen te beoordelen ze omvatten een analyse van pH en koolstof.

    Sinds 1 januari 2015 wordt vooropgesteld dat je per begonnen schijf van 5 ha van percelen die geen grasland zijn of die geen permanente bedekking hebben, een geldige analyse moet kunnen voorleggen van de zuurtegraad (pH) en het organisch koolstofgehalte (OC%). Het aantal stalen wordt beperkt door het aantal percelen en dienen volgens een rotatiesysteem genomen te worden. Deze analyses zijn 5 jaar geldig.

    De stalen moeten afkomstig zijn van de percelen die je dat jaar in gebruikt hebt, wie het staal genomen heeft maakt niet uit. 

    Voorbeeld:

    Als bedrijf heb je 30 ha akkerland in eigendom waarvan 5 ha verpacht en waarbij je 14 ha zelf pacht bij collega landbouwers. 
    Dit betekend dat je 30 – 5 + 14 = 39 ha akkerland in gebruik hebt in 2021 en dus over 8 geldige stalen moet beschikken. 
    Deze kunnen komen van de 25 ha eigen land die je zelf in 2021 in gebruik hebt of komen van de 14 ha gepacht land in 2021 waarbij je een geldige analyse van de eigenaar hebt bekomen. 
    De 5 ha eigen land die is verpacht komt niet in aanmerking.

  • Stalen in het kader van erosie

    De stalen in het kader van erosie zijn niet verplicht, maar indien je een perceel hebt met erosiegevoeligheidsklasse paars of rood, kan je via een bodemanalyse één klasse dalen.

    Hiervoor dient de analyse aan te tonen dat het koolstofgehalte minsten 1,7% bedraagt en de zuurtegraad in de optimale zone ligt. In onderstaande tabel kun je de  optimale zuurtegraad afhankelijk van het bodemtype terug vinden.

    Bodemtype Optimale zone zuurtegraad (pH KCl)
    zand 5,0 - 6,0
    zandleem

    5,5 - 6,5

    leem 6,5 - 7,5
    klei 7,0 - 8,0

     

  • Stalen in het kader van de mestbank

    Stalen die in het kader van de mestbank genomen worden dien je vooraf de staalname voor te melden via het mestbankloket via de module SNapp. 
    Afhankelijk van het doel zijn hiervoor verschillende handleidingen ter beschikking:

Fosfaat

De stalen in het kader van de fosfaatklasses zijn op zich niet verplicht. Wel is het zo dat vanaf 2017 de bemestingsnorm voor fosfaat wordt gekoppeld aan het fosforgehalte van het perceel. Als geen fosforgehalte van het perceel gekend is bij VLM wordt de klasse met laagste fosfaatbemesting toegewezen. 

Wil je als landbouwer verlagen van fosfaatklasse dan kan dit op basis van een grondanalyse waarbij het fosforgehalte van het perceel wordt bepaald. Op basis van deze uitslag krijgt het perceel een klasse toegewezen volgens onderstaande tabel. 

Fosfaatklasses
P-beschikbaarheidsklassen

Akkers
(mg P/100 g droge bodem)

Grasland
mg P/100 g droge bodem)

Klasse I (lage P-beschikbaarheid)

< 12 < 19
Klasse II (P streefzone) 12 - 18 19 - 25
Klasse III (matige P-beschikbaarheid) 19 - 40 26 - 50
Klasse IV (hoge P-beschikbaarheid) > 41 > 51

Bemestingsadvies stikstof

In gebiedstype 1, 2 en 3 zijn er, afhankelijk van het aantal percelen of het areaal, een aantal verplicht te nemen stikstofstalen met advies in onderstaande teelten. Deze stalen dienen voor 15 oktober genomen te worden. 

  • Groenten groep I: bloemkool, groene selder, witte kool, borenkool, spitskool, prei, broccoli, romanescokool, rodekool, savooikool, artisjok, Chinese kool, rabarber, andere kolen (uitgezonderd voederkool en spruitkool) en bladselder.
  • Groenten groep II: spinazie, courgette, sla, knolselder, peterselie, bieslook, basilicum, augurk, pompoen, knolvenkel, koolrabi, paksoi, en ander groenten dan de groenten van groep I en II.
  • Aardbeien
  • Sierteelt en boomkweek

Het aantal te nemen stalen kan je, na het indienen van de verzamelaanvraag, raadplegen via het mestbankloket rubriek gronden. Verder is het ook zichtbaar via de aanvraagmodule SNapp. De berekening die gevolgd wordt is: 

  • Groenten: de helft van het aantal hectare groenten, beperkt door het aantal percelen. 
  • Boomkwekerij: één zesde van het aantal hectare meerjarige teelten, beperkt door het aantal percelen. 

Het aantal te nemen stalen mag willekeurig verdeeld worden over de percelen. Dit betekent dat een perceel meerdere keren mag bemonsterd worden en een ander perceel niet.

Bemesten na 1 september

In het MAP is het verboden om kunstmest te gebruiken vanaf 1 september. Er is wel een uitzondering in groenten van groep I, II, III, spruitkool, graszoden, sierteelt & boomkweek en aardbeien. Die stelt dat je tot 31 oktober kan bemesten op voorwaarde dat je een bemestingsadvies inwint. Dat is overal van toepassing, dus ook in het groene gebiedstype nul.  De stalen dienen tussen 15 augustus en 15 oktober genomen te worden.

De uitgevoerde bemesting is maximaal het bemestingsadvies over de ganse periode met een maximum van 100 eenheden werkzame stikstof per hectare. Verder ben je beperkt tot maximaal 60 eenheden werkzame stikstof per hectare over een periode van 2 weken. Is het advies bijvoorbeeld 80 eenheden, dan zal je dat moeten splitsen in 2 giften van bijvoorbeeld 40 eenheden met minimaal 2 weken tussentijd.  

Voor groentepercelen in gebiedstype 1, 2 of 3 kan je dat staal ook gebruiken voor de verplichte stikstofstalen. Die staalnames moet je voormelden via SNapp.  
 

Derogatie

Derogatie is een uitzondering binnen de mestwetgeving die stelt dat onder bepaalde voorwaarden (teelten, type mest, strengere uitrijregels,  …) een verhoogde norm is voor dierlijke stikstof. Binnen deze voorwaarden legt men ook verplichte stikstof- en fosfaatstalen op in het jaar dat je derogatie toepast. Het aantal te nemen stalen is als volgt: 

  • Één per begonnen schijf van 20 ha van de totale bedrijfsoppervlakte (inclusief niet-derogatiepercelen). Bijvoorbeeld 46 ha, dan moeten er 3 stikstofstalen en 3 fosfaatstalen genomen worden. Stikstof en fosfaat kan gecombineerd worden. 
  • Periode voor stikstofstaal: 1 januari tot 31 mei
  • Periode voor fosfaatstaal: 1 juni van het jaar vooraf tot 31 mei

Opmerking i.v.m. fosfaatstaal: indien je per begonnen schijf van 5 ha landbouwgrond van jouw bedrijf beschikt over minstens één analyse van het plant beschikbare fosfaatgehalte die maximaal 4 jaar oud is, dan is eveneens aan de voorwaarde van fosfaatstalen voldaan.

Nitraatresidu

De stalen voor nitraatresidu worden genomen tussen 1 oktober en 15 november. Tussen 15 en 20 september krijg je als landbouwer bericht indien je al dan niet nitraatresidustalen dient te nemen. Het zelf aanvragen van een nitraatresidu dien je te doen in volgende gevallen:

  • Een te hoge perceels-of bedrijfsevaluatie van de nitraatresiducampagje vorig najaar 
  • Als je een vrijstelling hebt.
  • Als je een vrijstelling of derogatie hebt aangevraagd.
  • Als er een perceelevaluatie of bedrijfsevaluatie werd opgelegd na een bedrijfsdoorlichting.
  • Je een tegenstaal wenst op een controlestaal dat door VLM genomen is of zal worden genomen. 

Meer informatie?

Wens je nog meer informatie over de verplichte grondanalyse, dan kun je dit vinden via onderstaande nuttige links:

Randvoorwaarden Derogatie Nitraatresidu
Verplichte stikstofanalyse met bemestingsadvies Voorwaarden aanvraag derogatie Overzicht verplichte bodemstalen